over mijzelf
over mijzelf
Ik ben geboren bij de oever van de Binnenmaas, in Maasdam in de Hoekse Waard, een eiland in de rivierendelta van Zuid-Holland. Mijn herinnering begint met een gebeurtenis die zoveel gedruis om me heen veroorzaakte, dat het me op slag wakker maakte voor de wereld om me heen: de Watersnoodramp van 1953. Mijn vader en moeder en ik overleefden de ramp, een zusje en broertje had ik toen nog niet. Het kostte het leven aan de kippen en een varken, we zijn het nooit vergeten.
Naar eigen wens bezocht ik het Gemeentelijk Lyceum in Dordrecht, afdeling Gymnasium-β, en studeerde vervolgens Engels aan de Universiteit van Utrecht. Ik heb in Utrecht vooral genoten van de colleges over de Metaphysical Poets, Shakespeare en de oud-Engelse teksten. Ik bezocht daarnaast ongeveer een jaar lang het Sanskriet instituut. Ik vond Sanskriet moeilijk, maar Gonda’s colleges hebben een onuitwisbare indruk op me gemaakt.
Leraar wilde ik niet worden, vertaler wel. Samen met een collega en partner vestigde ik me in Culemborg. Ik heb vanaf die tijd geleefd en gewerkt met het gevoel dat het precies juist is wat ik doe. Ik weet nog hoe blij ik was dat mijn ouders mijn gedecideerde beroepskeuze – waarmee ik immers een ongewisse toekomst in zou gaan – hebben aangenomen, ook al werd dat niet met zoveel woorden uitgesproken. Mijn ouders deden mij een mooie klok cadeau.
Een vrij beroep heeft voor- en nadelen. Je bent strikt gebonden aan de tijd, maar een van de voordelen is dat je niet aan een plaats bent geketend. Daarom kozen vertalers er bijvoorbeeld voor om in Frankrijk te gaan wonen, een mode in die tijd. Ik wilde naar het oosten van ons eigen land en vond – door een toeval, dat gelijk staat aan een gunstig lot - een huis met twee hectare natuur in Wilsum, juist over de grens, in de Graafschap Bentheim in Duitsland. Op ons “landgoedje” hebben we samen jarenlang gewoond en ongelofelijk veel gedaan. Ik vertaalde filosofie, kinderboeken (zie een kleine selectie hieruit onder “Publicaties”), hielp mijn partner met zijn projecten en stelde me open voor de cultuur om me heen.
Duitsland. Er ging een wereld open. Onze huisbibliotheek in Wilsum werd in de loop van de tijd uitgebreid met een kast Duitse literatuur die een hele muur besloeg. Als vertalers werkten we toen nog uitsluitend vanuit het Engels en soms ook samen aan een project - het was een gelukkige tijd. Eveneens samen maakten we een programma voor de BRT (Belgische Radio) over de Duitstalige literatuur in de Ardennen. Ik vertaalde een aantal kinderboeken, waaronder een vanuit het Duits. Onder invloed van de grote DDR-schrijvers in die tijd – nee, hun vertaler was ik niet, maar opdat ze niet worden vergeten, noem ik hier hun namen: Christa Wolf en Irmtraud Morgner – groeide bij mij de wens om Duits perfect te beheersen. We schrijven intussen eind jaren ‘70. De partner ontwikkelde in zijn privé-leven Sartre-achtige allures en bleek op een dag ook het geweld niet te schuwen. Daardoor nam het leven voor mij een drastische keer. In positieve zin gaf dit de aanstoot om in Amsterdam Duits te gaan studeren. Aanvankelijk was ik de helft van de week in Amsterdam en de andere helft in Wilsum. Van twee werelden het beste. Het Duits instituut in Amsterdam was klein, de atmosfeer stimulerend. Met goedkeuring van het instituut bracht ik in 1981/82 een winter door in Berlijn. In dat wintersemester studeerde ik aan de FU (Freie Universität) Hegel en romantheorie, en legde er de contacten die de basis zouden vormen voor mijn latere loopbaan in Berlijn - maar nu loop ik op de gebeurtenissen vooruit.
Bij thuiskomst in Wilsum bleken de genoemde allures van mijn partner op privé-gebied een permanente vorm te hebben aangenomen. Zeg maar: ik had concurrentie gekregen. Daarmee kwam er uiteraard een definitief einde aan een tijdperk dat 12 jaar had geduurd. We scheidden als goede vrienden, zoals dat heet. De tijd werd nu tevens heelmeester.
Inmiddels was ik in Amsterdam naast mijn studie werkzaam in het Erasmus Antiquariaat, dat toen nog bestond, gevestigd aan het Spui. Het was gespecialiseerd in eerste drukken van de Duitse literatuur, incunabelen en Judaica, en werd geleid door een antiquaar van wereldnaam, Abraham Horodisch, die al in de tachtig was toen ik bij hem werkte en het antiquariaat nog altijd zelf runde. Wij hebben de uitgave van het Festschrift voorbereid, dat door de uitgeverij-in-eigen-huis werd uitgebracht ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het antiquariaat in 1983. Niet lang daarna is Horodisch gestorven.
Ikzelf moest in deze tijd een vestigingsplaats kiezen. Amsterdam of Berlijn? Ik geef toe dat ik niet helemaal kan beargumenteren, waarom allang vaststond dat ik naar Berlijn zou gaan. Het was iets in de ideele sfeer, niet in de persoonlijke, en was daarmee een werkelijk vrije keuze. Ik verhuisde naar Berlijn in het voorjaar van 1984. Via vrienden vond ik een zonnige woning in de Zwinglistrasse, Moabit, niet ver van de Spree. Niet lang daarna werd ik uitgenodigd om lid te worden van de Neue Gesellschaft für Literatur (NGL) op grond van een paar bescheiden eigen teksten, waarvan er één in een anthologie (Aufenthalt, Berlijn 1988 ) werd gepubliceerd. Ik kreeg werk aangeboden als administratieve kracht in de bibliofiele uitgeverij de Friedenauer Presse, die in het jaar dat ik er was o.a. een Duitse vertaling van teksten van Judith Herzberg en van Puškin uitgaf. In die tijd vroeg een collega mij om samen met haar en een derde persoon – als driemanschap dus – een anthologie samen te stellen en op de markt te brengen, die in een radiocommentaar later het “boek van de eeuw” werd genoemd. Het project heette: I beg the Lord not to hear, met als ondertitel: Literarische Verarbeitung von Gewalt. Het driemanschap bestond uit: Deborah Fahrend, een Amerikaanse dichter uit Californië, die het hele project financierde, ikzelf dus en Wanjiru Kinyanjui, een jonge filmmaker en dichter uit Kenia, die aan de filmacademie van West-Berlijn studeerde.
De helft van de dichters van wie we werk opnamen, woonde in Berlijn. De anderen kwamen uit alle landen van de wereld en leverden op onze uitnodiging werk in. Alle teksten verschenen als dubbeltekst: het origineel met de Duitse vertaling. Ik nam ook enkele gedichten van Ankie Peypers op, die toen nog leefde. Op voorstel van Deborah en Wanjiru werd mijn naam als samensteller op de titelpagina genoemd. Michael Stone, columnist van “Der Tagesspiegel”, schreef het voorwoord. Het boek verscheen in januari 1989, tegelijk met de opening van een grote tentoonstelling in Berlijn-Wedding met dezelfde naam, waarin de teksten met illustraties aan het publiek werden getoond. Tijdens de manifestaties ter gelegenheid van de presentatie van I beg the Lord…, die een week duurden, kwamen er ook schrijvers uit het buitenland naar Berlijn en de pers was aanwezig. De publicatie van dit boek was een hoogtepunt van mijn tijd in Berlijn.
Terwijl ik werkte aan het totstandkomen van I beg the Lord ...., werd ik aangesteld bij de Senaat van Berlijn met de opdracht om voor buitenlandse schrijvers die in Berlijn woonden lezingen te organiseren. Dit was een nieuw initiatief van de Senaat en ik was de eerste die voor die functie een (termijn)contract kreeg; de betrokken ambtenaren waren er zelf ook erg blij mee. Het was leuk werk en het stelde mij bovendien in staat om daarnaast ook andere projecten aan te nemen. In het voorjaar van 1989 kreeg ik het verzoek van de NGL om de leiding en coördinatie op me te nemen van een nieuwe productie: Paβ:partout, Sammlung internationaler Literatur und Graphik, een kunstdruk op portfolio-formaat, die in de MariannenPresse werd gedrukt. Paβ:partout I verscheen oktober 1989. Diezelfde zomer leverde ik een kleine bijdrage als vertaler aan een boekje met literatuur uit Malta, Malet, niet wetend dat dit een heel andere fase in mijn leven in zou luiden.
Terwijl de Maltese auteurs van Malet in oktober 1989 een week in Berlijn waren om uit hun werk te lezen, begonnen de eerste berichten te komen over mensenbewegingen in het Oostblok achter het IJzeren Gordijn. Twee maanden later viel de Muur. Voor ons West-Berlijners was het een ongelofelijke gebeurtenis. We werden gedompeld in de bijna extatische vreugde aan beide kanten, maakten het tempo mee, waarmee de Muur werd afgebroken en de macht in het Oosten wegviel. Een keerzijde was er ook. De rijen voor de winkels waren zo lang, dat de schappen van de meeste supermarkten na een paar weken leeg raakten. De aanvoer naar West-Berlijn was niet berekend op die consumptieve storm. Het was een chaos, niet alleen door de rijen mensen bij de bressen in de Muur, maar in de hele stad. Mensenmenigtes waren er plotseling overal. Ze sleepten met plastic zakken met consumptiegoederen alsof ze uitgehongerd waren geweest. Dit duurde enige tijd, ebde weg en was al voorbij, toen vanuit het Westen de souvenirjagers nog de laatste stukjes steen van de Muur kwamen grissen.
Januari 1990. Ik wilde er even uit. Had bovendien een druk jaar achter de rug. Een collega stelde zijn appartement op Malta tot mijn beschikking, een vriendin paste op mijn woning in Berlijn, ik verliet de stad voor zeven weken. Opgelucht eigenlijk.
In een Mediterraan land was ik nog nooit geweest. Ik werd van het vliegveld van Malta afgehaald en elke zondag daarna ontvangen door een van de auteurs die met haar partner in St. Julians aan de Spinola baai woonde. “Do you like Malta?”, was de vraag die door iedereen aan mij werd gesteld en waarin de bevestiging, zij het ietwat afwachtend, meeswingde. Maar natuurlijk. Had ik dat ooit eerder gezien, de bootjes in de baai zo kleurig dat je niet begrijpt dat het er zomaar is. Zomaar: mensen die niet alleen elkaar groeten, maar ook mij. Zomaar zitten in de zon op een dakterras middenin de winter, groente eten dat nog heerlijk smaakt, sinaasappels krijgen direct van de boom, lopen langs lichtgekleurde bebouwing en nog meer bebouwing waar het oog maar reikt en waar mensen wonen die leven of het niet op kan, auto’s, bussen, vehikels op de weg nog van net na de oorlog, ongegeneerd lawaai overal en overal de zee. Sterker nog, een zee met stemmingen tussen kalm en woest die je niet meer vergeet als je ze eenmaal hebt gezien, zomaar.
Ik was naar Malta gegaan om te kunnen schrijven aan een roman en het begin ervan kreeg ik in die weken op papier. Een halve kilometer heuvelopwaarts van waar ik woonde lag de universiteit met een goede en open toegankelijke bibliotheek. Ik kreeg zelfs een lenerspas – wat ontbrak me eigenlijk? Ik leerde mijn Maltese partner kennen.
Ik was niet de enige die Berlijn verliet. Veel van mijn vrienden en kennissen gingen naar West-Duitsland, tijdelijk of permanent. Dit is niet de plaats om in detail in te gaan op de veranderingen die op val van de Muur volgden, ze zijn denk ik voldoende bekend. Een ding raakte mij echter persoonlijk: ik kon als niet-Duitser niet direct delen in de nationale vreugde over het éénwordingsproces. Ik nam het geïnteresseerd maar onbetrokken waar. En zo vervreemde ik op dit punt ook een beetje van mijn Duitse vrienden.
In april 1990, in overleg met mijn Maltese partner, verhuisde ik naar Malta, zonder mijn woning - mijn “koffer in Berlijn” - op te geven. Wij woonden aanvankelijk in het familiehuis in Birkirkara, later had ik een eigen appartement in Sliema, dicht bij zee en dicht bij mijn werk. In Malta heb ik de fijnheden geleerd van de commerciële kant van het leven. Ik had een dynamische functie in het toerisme als tolk Duits en Engels hoofdzakelijk, en ook Nederlands werd al gevraagd. Ik had mijn werkvergunning – een bijzonder document in die tijd, waarin Malta buitenlandse werknemers strikt weerde – te danken aan het feit dat nog weinig Maltezen Duits spraken. Ik gaf daarom in mijn eerste zomer Duitse les in de German-Maltese Circle in Valletta, een Maltese variant van een Goethe-Instituut. Dit enerzijds. Anderzijds denk ik ook dat men eenvoudig wilde dat ik een werkvergunning kreeg; om een of andere reden harmonieerde het bijzonder goed tussen mij en de mensen om mij heen. Ik hield van ze en van Malta en doe dat nog. Het geheim kan ik niet verklappen, want ik kan het amper benoemen.
Ik heb zeven jaar op Malta geleefd en gewerkt, en buiten de persoonlijke band met het eiland die nog onverminderd bestaat, heb ik een belangstelling voor de oude Steentijd-cultuur van de eilanden ontwikkeld. Ik volg alle nieuwe ontdekkingen en opgravingen op de voet en mag me misschien wel kenner van de Maltese steentijd noemen. Sinds mijn terugkeer in Nederland geef ik lezingen over dit thema, hier en in Duitsland. Bovendien leid ik groepsreizen naar Malta, waarvan de Steentijd-cultuur het centrale doel is (tempels, hypogeum, graven, karrensporen).
Sinds herfst 1996 ben ik in Nederland terug en heb me gevestigd in Eibergen in Oost-Gelderland. Ik heb mijn oude vak weer opgenomen en heb een serie boeken uit het Duits vertaald (zie “Publicaties”). Na een examen aan de Universiteit van Nijmegen werd ik in juni 2004 beëdigd als vertaler Duits bij de Rechtbank in Zutphen en specialiseer me sindsdien in juridische teksten. Ik ben daarmee thuis aangekomen, letterlijk en figuurlijk, met als extra verworvenheid dat ik volkomen op mijn manier twee complexe Europese landen zo van binnen uit heb leren kennen, dat het contact met het ene onmisbaar is geworden (daarom woon ik aan de grens) en ik het andere zo in mijn hart heb gesloten, dat dat mijn eigenlijke thuishaven is.
In het rustige seizoen (van oktober tot april) organiseer ik enkele groepsreizen naar Malta. Neem contact met mij op voor programma en data.
Speciaal voor wandelaars is er bovendien vanaf eind april 2008 een nieuwe website actief: